Gevoelens in beweging
Doel: onderzoeken van gevoelens
Nodig: ruimte om vrij te bewegen (speellokaal)
Laat de kinderen in stilte rondlopen en opwarmen. Wapperen met vingers, handen, armen. Schudden en draaien (zachtjes) met het hoofd. Gezichten trekken. Met benen zwaaien.
Vraag de kinderen vooral op zichzelf te letten. Iedereen gaat vanzelf wel voor je uit de weg als je er langs wilt.
De helft van de groep gaat nu zitten en kijkt goed (kijkers). Vraag de kinderen die rondlopen (bewegers) om te laten zien dat ze boos zijn. Hoe beweeg je dan je handen, benen, hoofd, mond, ogen? Nog steeds zonder geluid te maken.
Napraten
Napraten
Iedereen zit in een kring. Praat met elkaar na over de volgende vragen:
- Wat zagen de kijkers aan de bewegers? Noem zoveel mogelijk dingen die je zag? Klopt dat met wat de bewegers wilden laten zien? Wat was er nog meer dat er wel was maar niet werd gezien?
- Wat is boos?
- Waarover ben je zelf weleens boos?
- Wat kunnen andere mensen dan aan je zien?
- Met wie praat je er over?
- Wat heeft God, Allah, JHWH, Krishna, Boeddha met je boosheid te maken?
- Waarover zijn andere mensen weleens boos?
- Hoe kun je dat aan ze zien?
- Wat kun je vragen?
- Wat zou je kunnen doen als je ziet dat iemand boos is?
- Wat kun je doen als je niet boos wilt zijn? Hoe gaat het weer over?
- Wie willen dat samen in een klein toneelstukje laten zien: de een is boos, de ander reageert daarop. Hoe zorgen jullie samen dat het weer over gaat?
- Of: de bewegers zijn allemaal weer boos, de kijkers kiezen ieder één kind dat ze gaan helpen om de boosheid kwijt te raken.
Zelfde oefening, andere emotie
Herhaal de oefening met bijvoorbeeld:
Verdrietig
Blij
Bang
Verlegen
Stoer
...
