De God van Isaak
Bij Abraham in de buurt woonden mensen die ook in een god geloofden, maar dan heel anders. Die mensen hadden zoveel eerbied en ontzag voor hun god dat ze, als het moest, soms zelfs hun eigen kinderen voor hem doodmaakten. Zo kan je hem laten merken dat je alles voor hem overhebt, geloofden ze.
Abraham wist niet van zichzelf of hij zoiets wel zou kunnen. Ja, hij verbrandde soms wel een geslacht lam of zo, om God te laten merken dat hij echt dankbaar was. Maar zoiets…
Wat Abraham verder gedacht heeft, weet niemand. Het verhaal gaat zo verder:
Het was vroeg in de ochtend. Isaak werd wakker. Hij zag dat Abraham bezig was hout op de ezel te leggen. Er waren ook twee knechten. Abraham zei: ‘Kom mee Isaak, we gaan naar de berg om God te brengen wat we te geven hebben.’
Isaak stond op en ging mee. Hij was twaalf jaar oud toen dit gebeurde.
Na drie dagen reizen zag Isaak de berg. Moria heet die berg.
Abraham zei tegen de knechten: ‘Blijven jullie hier achter.’
Isaak mocht het hout dragen. Voor hem liep Abraham met vuurkolen en het mes.
Opeens riep hij: ‘Vader, hoe kan dat? We hebben hout, we hebben vuur, maar we hebben geen dier om aan God te geven.’
Zijn vader keek hem aan, hij zei: ‘God zal zelf wel zien wat wij te geven hebben.’
Hij zei het op zo’n manier, dat Isaak wist dat hij niet verder moest vragen.
Zo gingen die beiden tezamen. Ze kwamen aan boven op de berg. Isaak verzamelde stenen en Abraham legde ze langzaam op elkaar. Ze keken elkaar niet aan. Boven op de stenen legde Abraham het hout dat Isaak gedragen had. Abraham nam Isaak bij zijn schouders. Hij drukte hem tegen zich aan. Isaak durfde zich niet te verroeren. Hij wist dat er tussen Abraham en zijn God iets was dat hij niet begreep.
Opeens riep Isaak: ‘Vader, vader. Kijk daar! Daar zit een ram vast in de struiken. Is dát wat wij te geven hebben?’
Abraham liet het mes vallen. Hij zakte door zijn knieën en bleef op de grond zitten. Hij zei: ‘Isaak, mijn zoon. Ik dacht dat jij van mij alleen was. Maar dat is niet zo. Jij bent van God. Ik dacht toen ook dat God jou voor zichzelf wou nemen. Maar dat is niet zo. God wil dat jij lééft. Ik dacht dat God alleen de God van Abraham was, maar God is nu ook de God van Isaak.’
Isaak keek zijn vader aan. Hij begreep het. Hij ging naar de ram toe, die vastzat in de struiken. Hij ving hem en ze gaven hem samen aan God.
Zo gingen die beiden tezamen terug. Ze praatten met niemand over wat er op de berg gebeurd was.
Uit: Woord voor Woord, Karel Eykman, Uitgeverij NZV
